Tijdsaspecten en 10 Etudes voor sopraanblokfluit

De drie primaire tijdsaspecten van muziek zijn maat, ritme en tempo. Een vierde aspect, de agogiek, overkoepelt de primaire drie in een samenhang. Agogiek betreft in eerste linie het tempo en inherent daaraan worden ook maat en ritme beïnvloed. Nemen we om te beginnen het ritme; dat is op twee manieren te benaderen.

  1. De lengte van de individuele toon.
  2. De plaats van de toon in de tijd.

Uitgaande van de eerste benaderingswijze kan een toon beginnen, als de vorige zijn lengte heeft gekregen. Bij de tweede benaderingswijze stopt een toon, als de tijd voor de volgende is aangebroken. Het verschil is groter dan op het eerste gezicht lijkt, niet zozeer in resultaat dan wel in begrip.

We parkeren het driedelige zolang even aan de zijlijn, komt zeker later nog aan de orde en richten de aandacht op het binaire principe. In het kort: De oneven elementen zijn superieur, dus luider en de even elementen ondergeschikt, dus zachter; zo ontstaat een stelsel van accenten en nevenaccenten. Algemeen bekend is het primaire maataccent op de eerste tel en een nevenaccent op de derde tel in zowel 4/4 als 3/4 maat (3/4 maat wordt later besproken), ook een groepje van vier zestiende noten
Tijdsaspecten, voorbeeld 1-1

heeft zo’n rangorde. En verder alle denkbare ritmen.

In verband met de agogiek wordt het nu interessant. Elk van de vier zestiende noten heeft een eigen plaats en karakter. Zolang je het karakter van de gespeelde zestiende respecteert kun je hem zo vroeg of laat brengen als je wilt, het ritme zal duidelijk blijven. Vooral opmaten gaan beter en duidelijker klinken, wanneer het karakter van de tonen recht gedaan wordt. En zo komen we terug bij de twee benaderingswijzen van het ritme. Of een ritme juist is en juist klinkt hangt vooral af van het karakter, dat de toon wordt meegegeven en niet zozeer van hoelang een toon wordt aangehouden. Alles binnen grenzen van notenbeeld en tempo. een tweede tel moet klinken als een tweede tel en een derde als een derde enz.

In de Barok was het gebruikelijk om aanzetten van vier zestienden ongelijk te maken niet alleen om het tempo hoog te kunnen nemen, maar ook vanwege de klank. Zo lezen we bij J.J. Quantz in het huiswerkboekje van Frederik de Grote over de aanzetten van zestienden in een allegro.
Tijdsaspecten, voorbeeld 2-1

  • ti is luider
  • di iets zachter
  • dl is zacht

Zo ontstaat de hiërarchie als vanzelf. Probeer dat eens met etude 4; de articulatiebogen komen dan natuurlijk te vervallen.

Terugkomend op de plaats van een toon in de tijd ten opzichte van de duur kijken we naar etude 3 maat 4.
Tijdsaspecten, voorbeeld 3-1

Ga je niet afvragen hoelang de tweede toon duurt, maar begin hem halverwege de tweede tel en plaats de derde toon op de vierde tel.

Deze etudes bieden veel oefenstof voor vooral de tijdsaspecten in de muziek.

Succes!

Micca

Tijdsaspecten
10 Etudes voor sopraanblokfluit

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s